Slachthuizen gaan door moeilijke periode

De Belgische slachthuizen kwamen de voorbije maanden doorgaans alleen maar met schandalen in het nieuws. Maar hoe oogt het financieel-economische plaatje van de sector? Om dat te weten, bekeken we de balansen van de bedrijven, want het wereldje houdt de kiezen het liefst op elkaar geklemd. De analyse oogt niet fraai: overcapaciteit, vaak amateurisme, en weinig riante cijfers.

Trends analyseerde 111 balansen van ondernemingen in de slachtsector. Echt gezonde bedrijven zijn schaars. Een uitzondering is het kalverensegment, runderen van maximaal één jaar oud. "Dat komt omdat alle stukken van een kalf kunnen worden verkocht. Van runderen blijft meer slachtafval over", zegt Marc Rosiers.

De voormalige medewerker van de landbouworganisatie Boerenbond leidt het consulentenbureau MR F&A Consult. Een andere verklaring is dat drie spelers in de Kempen bijna de volledige kalverenmarkt controleren. Er is Sopraco van de familie Oeyen uit Geel, met in Luxemburg de kerngezonde holding Bellivo. Het bedrijf beheert de hele keten, van kalverenkweek, tot de levering van worsten, gehakt, brochettes en gegaard vlees. Een portret in Trends? "De directie dankt u voor de interesse in het bedrijf. Er wordt geen interview gegeven", meldt juridisch directeur Carl Belmans met een e-mail.

Delen

Consolidatie in de slachtsector gebeurt eigenlijk vanuit een omgekeerde beweging. Wij kopen overcapaciteit, en halen die dan uit de markt" Johan Castelein, Euro Meat Group

Ook erg rendabel is Vanlommel uit Westerlo, dat evenmin iets wil zeggen. Het Nederlandse VanDrie, de wereldwijde marktleider in kalfsvlees, is de minst winstgevende van het trio. Vanlommel en VanDrie beheersen de volledige keten. En opvallend: VanDrie is de enige buitenlander actief in de Belgische slachthuissector. Eind 2004 kochten de Nederlanders de nv Jos Theys.

Exit Groep Verbist

Het gros van de slachtbedrijven is in handen van Vlaamse families. 90 procent van de slacht gebeurt in Vlaanderen en Brussel. Ook de belangrijkste Waalse slachthuizen zijn eigendom van Vlaamse entrepreneurs. Wallonië heeft ook nog drie openbare slachthuizen, in Ath, Aubel en Luik. "Dat is zo gegroeid", duidt Marc Rosiers. "Gemeenten en steden brachten om hygiënische redenen slachtingen samen op één plek. Daaruit ontstond het openbare slachthuis." Maar de voorbije decennia werd duidelijk dat slachten geen kerntaak is van een overheid.

Ook de Groep Verbist is Vlaams en familiaal. Haar slachthuis in Bastogne was in maart het toneel van het jongste vleesschandaal. Bij een controle werden vervalste invriesdata gevonden. Bovendien bleek slachtafval verwerkt tot gehakt voor menselijke consumptie. Wellicht betekent dat het einde van de marktleider in de runderenslacht (26% marktaandeel).

De 73-jarige Louis Verbist, 'de koning van de Belgische vleesverwerkers', moest in september vorig jaar al zijn slachthuis in Izegem sluiten, nadat er beelden waren opgedoken van dierenmishandeling.

Voor de slachthuizen in Bastogne, Rochefort en Zottegem zoekt de familie een koper. Want Verbist verloor niet alleen het vertrouwen, maar vooral zijn vergunning van het Federaal Agentschap van de Voedselveiligheid (FAVV).

De selectie van de koper gebeurt door het Waalse overheidsvehikel Sogepa. Uiterlijk eind mei zou de winnaar bekend zijn. "We zeggen niet wie de kandidaten zijn. Maar de familie Verbist is daar niet bij", zegt Laetitia Naklicki, de woordvoerder van Sogepa. "De familie Verbist heeft Sogepa gevraagd een koper te zoeken. Want de onderneming heeft nog een schuld van ruim 3,5 miljoen euro aan Sogepa."

Vorig jaar werden de Waalse activiteiten en het slachthuis van Zottegem afgesplitst van de voormalige consoliderende holding EEG Slachthuis Verbist Izegem. Daarmee belandde de Groupe Veviba - wat staat voor Verbist Viande de Bastogne - vooral bij de kinderen Diederik en Martine Verbist. En de nv EEG Slachthuis Verbist Izegem haalde al geen bijzonder mooie cijfers in 2016.

De laatst neergelegde balans toont een balanstotaal van 81 miljoen euro, en bankschulden voor 34 miljoen euro. Uit 202 miljoen euro bedrijfsopbrengsten werd een flinterdunne nettowinst van 251.000 euro geput. "De vleesconsumptie staat onder druk en de concurrentie is heel hevig", motiveert het jaarverslag de karige cijfers. De groep werkte hoofdzakelijk voor winkelketens. "Uit de opbrengst van de verkoop zullen in de eerste plaats de schuldeisers worden betaald", vervolgt Laetitia Naklicki. "Mocht er iets overblijven, vloeit dat naar de aandeelhouders van Groupe Veviba."

 

JOHAN CASTELEIN "Enkel met operationele uitmuntendheid is ons zakenmodel leefbaar." © Emy Elleboog

Nog meer schandalen

Groep Verbist was niet de enige die kreunde onder schandalen. De varkensslachter Debra Group uit Tielt kreeg eind maart vorig jaar zijn deel van de koek. Ook daar doken beelden op van dierenmishandeling. "We zijn daar sterker uitgekomen", liet gedelegeerd bestuurder Thomas De Roover De Brauwer in februari weten. Maar ook hij wou liever niet meewerken aan deze tekst.

"In 2018 willen we ons helemaal op de toekomst richten en die pagina omdraaien", legt de 31-jarige gedelegeerd bestuurder in een e-mail uit. "Wij worden op dit ogenblik liever niet geassocieerd met de gebeurtenissen van de jongste weken die de hele vleessector opnieuw in een slecht daglicht stellen. Wij werken nog elke dag keihard zodat we het vertrouwen van onze klanten terugwinnen. Daarop concentreren wij ons nu."

De balanscijfers 2016, de jongste beschikbaar, oogden al niet bijzonder fraai. De consoliderende holding is de nv Debra-Immo, en zij leed een bedrijfsverlies. Zelfs los van de perikelen in het slachthuis toont Debra hoe precair het werken is in de slachtsector.

De onderneming specialiseerde zich in varkens, met een slachtcapaciteit van 2 miljoen varkens per jaar, of bijna 17 procent marktaandeel. Via een toenemende export (België verwerkt twee keer meer varkens dan het consumeert) wilde Debra de verkoopvolumes opdrijven. Maar de belangrijke Russische exportmarkt ging dicht na de aankondiging van sancties. En de varkensverwerker uit Tielt kregen geen exportvergunning voor China.

 

SLACHTHUIS De lage productie is extra nefast omdat de slachthuissector veel vaste kosten heeft. © Emy Elleboog

Debra veranderde het geweer van schouder: meer verkoop in eigen land. Daarom nam het de slachtgroep Goossens uit Waregem over. Die verwierf een minderheidsbelang in de vernieuwde groep, en haar slachtactiviteiten verhuisden naar Tielt. Debra hoopte via dat samengaan op betere prijzen. Alleen: de vennootschappen rond de familie Goossens waren verlieslatend.

Consolidatie

Belgian Pork Group oogt financieel als een gezondere fusie. In de zomer van 2015 bundelden 400 varkenshouders van de coöperatie Propigs (het voormalige Covavee) en de marktleider in varkensvlees Westvlees (de familie rond CEO Jos Claeys) hun krachten. De groep slacht 4,2 miljoen varkens, en heeft daarmee ruim een derde marktaandeel. Belgian Pork Group heeft vier slachthuizen, in Aubel, Meer, Westrozebeke en Wijtschate.

Hoewel de groep geen geconsolideerde cijfers publiceert, ogen de filialen duidelijk gezonder dan die van de concurrenten. Belgian Pork Group heeft bovendien nauwelijks bankschulden. Ook die groep weigerde een gesprek met Trends.

Voor diverse waarnemers kan de rendabiliteit in het slachtwereldje enkel omhoog als er nog meer fusies en overnames komen. Nog in de varkenssector sloegen Noordvlees Van Gool en de veevoederfabrikant Vanden Avenne de handen in elkaar.

In Oevel werd een gloednieuw slachthuis voor 2 miljoen varkens neergezet. Sus Campiniae heet de joint venture. De opening in september lokte zelfs de Vlaamse minister-president Geert Bourgeois en de Europese landbouwcommissaris Phil Hogan. Ook Noordvlees Van Gool weigerde een gesprek met Trends.

Te veel capaciteit

Eén zaakvoerder wil wél spreken. Johan Castelein heeft in Moeskroen het slachthuis Euro Meat Group. In de reusachtige gekoelde magazijnen glijden honderden runderkarkassen, elk ruim een kwart ton zwaar, langzaam aan de trekhaken.

"De vleessector ligt al anderhalf jaar onder vuur", zucht Castelein. "De consument haakt af en straft de hele sector. Bovendien wil wie toch nog vlees eet, afstand nemen van het feit dat daarvoor een dier geslacht moet worden. Nochtans is dat een wezenlijk deel van de vleesconsumptie. Consumenten verdringen dat. Uiteraard moeten we respectvol slachten, met de juiste mensen en processen."

Johan Castelein is al twee decennia actief in de sector. In zijn drie slachthuizen in Harelbeke, Moeskroen en Zele werden vorig jaar 119.000 runderen geslacht, goed voor een marktaandeel van bijna 22 procent. Daarnaast huurt de Oost-Vlaming een vierde slachthuis in Chimay. De groep slacht enkel voor derden.

De onderneming kweekt geen runderen en doet ook niet aan uitsnijden, de opdeling van het karkas in diverse vleestypes. Ook haar balanscijfers wijzen op de knelpunten in de sector. Enkel de nv Euro Meat Group, het slachthuis in Moeskroen dat bijna volledig werd gemoderniseerd, haalt vrij behoorlijke cijfers.

Met in 2016 een brutomarge van 3,4 miljoen euro en een bedrijfsresultaat van ruim een half miljoen euro. Maar zowel Harelbeke als Zele draaide in 2016 verliezen, met een zwakke solvabiliteit.

Delen

Er zijn nauwelijks aanvaardbare criteria te vinden voor de meting van de productiviteit per werknemer in een nochtans arbeidsintensieve sector.

"Consolidatie in de slachtsector gebeurt vanuit een omgekeerde beweging", vertelt Johan Castelein. "Als bedrijven andere ondernemingen overnemen, doen ze dat omdat ze snel willen groeien. Wij kopen overcapaciteit, en halen die dan uit de markt." De groep kocht de voorbije jaren de slachthuizen van Dendermonde, Doornik en Menen. "Dat had één doel: mijn marktaandeel in stand houden. De slachthuizen gingen dicht, de productie verschoof naar Harelbeke, Moeskroen en Zele."

En daar blijft het niet bij. Johan Castelein is een van de kandidaat-kopers van Groupe Veviba. Bovendien wil hij het stedelijke slachthuis van Luik overnemen. Dat is chronisch deficitair. Het boekt verliezen sinds minstens 2006, de oudste balans die in de balanscentrale van de Nationale Bank gevonden kan worden.

"Dat slachthuis werd aan het einde van de jaren zeventig gebouwd. In zijn topperiode slachtte het wekelijks 2000 runderen en 12.000 varkens. De varkensactiviteit is verdwenen. Er worden nog 300 tot 400 runderen per week geslacht. Luik draait dus op 40 procent van zijn capaciteit."

Een studie van het Waalse overheidsvehikel Sogepa uit 2016 had die chronische overcapaciteit al benadrukt. Geen driekwart van de slachtproductiecapaciteit werd benut. Voor runderen zakte dat getal zelfs naar 46 procent. "Mijn slachthuizen draaien op 90 tot 95 procent", benadrukt Castelein.

"Maar in België zijn slachthuizen die vijf dagen per week draaien veeleer de uitzondering. Van de 40 slachthuizen voor runderen slacht een dozijn minder dan 1000 runderen per jaar. In onze buurlanden wordt zes dagen op zeven geslacht, soms zelfs in een tweeploegensysteem. Daar is al veel overcapaciteit uit de markt gehaald. In Nederland subsidieerde de overheid de afbouw van overtollige slachtcapaciteit. In België moet de marktwerking die overtolligheid wegwerken."

 

De lage productie is extra nefast omdat de slachthuissector veel vaste kosten heeft. "Die vaste kosten vereisen een groot volume", rekent Johan Castelein. "Een grote kostenpost is de energie voor mijn koelinstallaties. Als ik een vijfde minder slacht, daalt mijn energieverbruik niet met een vijfde. Bovendien is de levensduur van onze installaties beperkt, omdat we dagelijks heel strikt moeten reinigen en ontsmetten. Na drie tot vijf jaar moeten we onze productielijnen vernieuwen."

Amateurisme

De studie van Sogepa leest bijna als een zwartboek van de slachthuizen. Het runderras Blanc Bleu Belge domineert de winkelrekken, er is weinig verscheidenheid in de vleesaanbieding. Supermarkten gebruiken goedkoop vlees bovendien als consumentenlokker. Frankrijk heeft een veel ruimer aanbod aan vleessoorten en varianten, met als gevolg dat de gemiddelde prijs er ruim een kwart hoger is.

Sogepa merkt nog meer amateurisme. De logistieke kostprijs voor een kilo vlees per kilometer? Optimalisering van de leverrondes? Allemaal giswerk. Sogepa vond nauwelijks aanvaardbare criteria voor de meting van de productiviteit per werknemer in een nochtans arbeidsintensieve sector.

"Mijn grootste kosten zijn de personeelslasten. Maar de mensen van Sogepa waren onder de indruk van onze werking", zegt Castelein. "Wij meten al acht jaar volgens bepaalde maatstaven onze productiviteit. Elke week wordt dat gemonitord. Wij krijgen levende dieren en geven die in vier stukken aan verwerkers. Dat proces moeten we heel goed opvolgen. We moeten fouten vermijden. Enkel met operationele uitmuntendheid is ons zakenmodel leefbaar."

 

Bron: Trends